DrechtstedenSchrijft

De Drechtsteden willen het leven in de regio meer inhoud geven door meer mensen in aanraking te laten komen met cultuur. Cultuur verrijkt de mens, versterkt de sociale samenhang en geeft mensen plezier in hun vrije tijd.
De regio stimuleert en financiert ieder jaar culturele activiteiten om zo de culturele identiteit van de Drechtsteden te versterken en het cultuurbereik te vergroten.

Verhalen


CATEGORIE T/M21 JAAR

1e PRIJS: RIJK VAN HET HEDEN - CINDY HUIJGEN (18 jr)

Midden op het Plein van de Tijd staat de Rechter Steden. Gehuld in blauwe toga en met een groene pruik op, weet Steden al veertien jaar de tijd te bewaken. Het was tot dusver een gemakkelijke klus. Nooit heeft Steden een gewicht op de weegschaal hoeven leggen om het Rijk van het Verleden of het Rijk van de Toekomst te verzwaren. Iets waar hij stiekem trots op is, wat hem niet kwalijk genomen kan worden. Al zijn voorgangers hebben noodgedwongen de weegschaal uit evenwicht moeten brengen. Eén voor één hebben ze hun ambt verlaten, om een volgende plaats te laten nemen.
Het is een kwestie van tijd voordat ook Steden dit lot moet ondergaan.

Bas Serdam wacht op een seintje van de Rechter. Deze strijkt zijn bruine stropdas recht bij wijze van groet, maar gaat verder niet in op de aanwezige. Daarop wijst Bas naar de linkerkant van de weegschaal.
Het Rijk van de Toekomst.
Onwillig vraagt Rechter Steden naar de klacht.
“Alblasserdam CS,” is het enige wat Bas Serdam zegt.
Steden schudt zwijgend zijn hoofd. Daarop kan Bas vertrekken.

De voetstappen zijn nog niet weggestorven of er klinken al nieuwe. Ditmaal is het een vrouw met goudblonde haren. Ze stelt zich voor als Penny de Recht en werpt een gulzige blik naar links.
Steden zucht, maar vraagt ditmaal direct naar de klacht.
“Papendrecht wil een centraal station,” zegt ze met een toon alsof het haar weinig kan schelen.
Steden schudt zwijgend zijn hoofd. Daarop kan Penny vertrekken.

De tijd loopt door zonder dat Steden de weegschaal uit evenwicht heeft moeten brengen. Het Rijk van het Verleden groeit bij elke seconde. Het Rijk van de Toekomst brokkelt bij elke seconde af en groeit in diezelfde seconde, zodat het oneindig groot blijft. Het Heden is bewegingsloos.
Steden voelt zijn trots groeien, nu hij voor het eerst een moeilijke dag heeft voltooid.

Hendrik Dam betreedt al vroeg op de ochtend het Plein van de Tijd. Na het madeliefje van de man over te nemen, schudt Steden meteen al zwijgend zijn hoofd. Hoewel Dam de eerste is die er aan heeft gedacht een geschenk mee te nemen, kan Steden niet verkroppen dat de man eenzelfde blauwe toga als hij draagt.

Zo slaat Steden zonder te luisteren naar de klacht diezelfde dag een Stijn de Recht, de neef van Penny, af. Ook Cider, een lange dame, komt niet verder dan gulzig naar rechts te wijzen. Steden velde zijn oordeel al bij het horen van haar afgrijselijke naam.
Allen hadden die dag gewezen naar de rechterkant van de weegschaal. Het Rijk van het Verleden.
recht.jpg

De tijd loopt door zonder dat de Rechter heeft moeten ingrijpen, of zijn ambt heeft moeten afstaan. Het Heden is nog altijd bewegingsloos, dankzij de evenwichtige weegschaal.
Steden voelt zijn trots groeien, nu hij voor de tweede keer een lastige dag heeft voltooid.

Dan verschijnt een ruige man met zwarte stekels die omhoog staan. Het is een lange man, maar gedrongen, waardoor zijn lengte teniet wordt gedaan en hij er klein uit ziet. Hij stelt zich voor als Cor Recht.
Steden slikt en schuifelt wat dichter naar de weegschaal toe. Recht jaagt hem angst aan.
“Ja?”
Cor wijst naar de rechterkant van de weegschaal, schraapt zijn keel en pakt een mobieltje beet om deze op de grond te smijten. “Ik daag het Rijk van de Toekomst uit!”
Steden zucht. Hij voelt aan dat dit het begin is van het einde van zijn ambt.
“De Gouden Eeuw, de Zilveren Eeuw, ja zelfs daarvoor! Dordrecht was de eerste stad, Dordrecht was een belangrijke stapelplaats! Tegenwoordig worden wij verdrongen door Rotterdam. Tegenwoordig dienen wij randgemeentes onder onze hoede te nemen.” De man was tijdens zijn korte betoog rood aangelopen, maar herstelde zich snel. Met rustige stem, nog altijd wijzend op de rechterkant van de weegschaal, vervolgt Cor: “Vroeger, meneer de Rechter, was alles beter.”
Steden knikt. Hij kan niet anders dan knikken. Hoezeer hij ook zwijgend zijn hoofd had willen schudden.
Het blijkt een seintje. Plotseling zijn daar Bas Serdam, Penny de Recht, Hendrik Dam, Stijn de Recht en Cider die haar achternaam niet heeft genoemd. Allen wezen ze naar een andere kant van de weegschaal.
Steden zucht en knik. Nu hij eenmaal begonnen was met knikken, kon hij de eisen niet meer negeren.
Bas en Penny roepen om het hardst dat ze groter willen worden en een sprong naar de Toekomst willen maken, Hendrik, Stijn en Cider roepen om het hardst dat ze hun identiteit willen behouden en het in het Verleden beter hadden. Boven de stemmen komt de stem van Cor uit.
De Rechter knikt, schuifelt iets naar rechts om een gewichtje te pakken en deze, onder het gejuich van Hendrik, Stijn, Cider en Cor, op de weegschaal te leggen. Vervolgens schuifelt Steden iets naar links om een gewichtje te pakken en deze, onder het gejuich van Bas en Penny, op de weegschaal te leggen. Vervolgens stapt hij terug naar het midden en loopt recht vooruit. Van de Weegschaal weg. Het is zijn tijd om zijn ambt af te staan.

Zo laat Steden het Plein van de Tijd achter. Met de weegschaal nog altijd in perfect evenwicht. Voordat zijn voetstappen wegsterven, zullen de nieuwe van zijn vervanger al klinken. Dat deze het anders zal doen is een feit. Hij zal Bas, Penny, Hendrik, Stijn, Cider en Cor opnieuw beoordelen, sommige van hun Tijdpleinbetredingsrecht ontdoen. De zes personen die Steden veertien jaar geleden zo zorgvuldig had beoordeeld. Waarvan Steden had gedacht dat ze het hem niet moeilijk zouden maken. Dat ze het zelf uit zouden vechten. Dat ze nooit gebruik zouden maken van hun Tijdpleinbetredingsrecht. Maar als hij eerlijk was, had hij altijd al beter geweten.

Het is een kwestie van tijd voordat iemand meer vruchten in het Verleden, dan wel de Toekomst ziet. Geen vervanger zal er in slagen zijn Tijdpleinbetreders ervan te overtuigen dat ze het het beste hebben in het Heden.

2E PRIJS: (ON)PERSOONLIJK? – BIANCA STRÖHMEIJER (21 JR)

“Publiek, hebben wij zin in een lekkere man? Nou lekkere man, laat je maar zien dan!” Het publiek, opgehitst door de kale presentator, klapt enthousiast in de handen. En ikzelf sta met trillende benen achter de knop naar de lift te staren, waar deze ‘lekkere man’ zo gaat verschijnen. Het zweet staat in mijn handen. Wat deed ik hier ook alweer?

Ze zeggen weleens dat je veel kikkers moet kussen voor je je prins vindt. Maar tegenwoordig lijkt het wel alsof de kans dat je een prins uit de poel van kikkers weet te vissen, even groot is als de kans dat je de hoofdprijs in de loterij wint. Voor de mensen die nog hoop hebben: nee, die is niet groot, en als je wint kun je ook met je ogen dicht de Coolsingel oversteken. En omdat liefde schijnbaar zo moeilijk te vinden is, is het dus niet gek dat iedereen ernaar zoekt. Als ik voor elke keer dat ik een vriend of vriendin heb horen klagen dat er geen leuke potenties meer rondlopen een meter kon vliegen, dan kon ik drie keer van Mars naar Venus en weer terug. En dat terwijl die planeten mijlenver uit elkaar schijnen te liggen.

O ja, dat was het. Ik ben op zoek naar liefde. Ik kijk om me heen en zie nog 29 andere vrouwen naast me staan. Allemaal kijken ze met een geconcentreerde blik naar dat wat er uit de lift gaat komen. Ik dwing mezelf hetzelfde te doen, maar weer dwalen mijn gedachten af.

Daten tegenwoordig is moeilijk. Vroeger zag je elkaar face to face, nu zit er vaak een beeldscherm tussen. Knappe, goedgebouwde jongemannen blijken zomaar ineens kalende mannetjes van in de vijftig met als enige ‘goedgebouwde’ lichaamsdeel hun bierbuik.

Moest je vroeger met de billen bloot als je iemand wilde zeggen dat je hem of haar leuk vond, tegenwoordig kan ook dat op afstand. Vroeger moest je al je moed bij elkaar rapen, nu kan iedere nerd op ‘verzenden’ drukken en zijn conclusies trekken als het antwoord uitblijft. Is er niet een deel van de spanning weggevallen? Zorgde het risico een blauwtje te lopen niet juist voor de onweerstaanbare charme van trillende benen, onhandig hakkelen en blosjes op de wangen?

Onpersoonlijk en afstandelijk, dat is het tegenwoordig. Of is dat misschien ook weer te makkelijk gezegd? Menigeen weet tenslotte meer van zijn internet ‘vrienden’ dan van de mensen die hij echt kent. Hele levensverhalen worden al snel via het beeldscherm gedeeld: exen, ongelukkige jeugd, kleur ondergoed… Juist door het onpersoonlijke contact lijkt het wel alsof mensen sneller persoonlijk worden. Om er vervolgens bij een ontmoeting in ‘real life’ achter te komen dat de persoon alleen via internet zo spontaan is, dat het totaal niet klikt en dat de sul in kwestie een geitenharenwollensokkentype is en dus gewoon ongelooflijk saai.

Over saai gesproken. Uit de lift komt een jongen die in geen jaren de zon gezien heeft. Zijn schouders hangen naar voren en uit zijn houding spreekt een lichte wanhoop. Als een hert dat in de koplampen van een auto kijkt, weet hij er nog net uit te persen hoe hij heet en waar hij vandaan komt. Nog voordat ik zijn filmpje heb gezien, weet ik al wat zijn hobby is. Achteloos druk ik op de knop om te laten weten dat ik geen interesse heb. En dan is het wachten op de volgende man. Uit verveling krijg ik een briljant idee: beeldschermen met ingebouwde zonnebanklampen, dat zou nog eens een uitvinding zijn! Van de zonnebank dwalen mijn gedachten af naar zon, van de zon naar de zomer en jawel…terug naar de liefde.

Is het eigenlijk wel duidelijk wat liefde is? Liefde lijkt, voorzover ze al niet vervangen is door lust, een consumptieproduct te zijn geworden. Het lijkt wel alsof een flinke dosis seks met een sausje van cliché-romantiek voldoende is. Romantiek die te vergelijken is met het geven van een doos bonbons aan een vrouw: onpersoonlijk en risicoloos, goed bedoeld maar het is het net niet. Zelfs in romantiek volgen we de massa.

titanic.jpg

Misschien hebben we met zijn allen een te romantisch beeld van romantiek. Romantiek is niet de Hollywoodromantiek met een diner bij kaarslicht, of een bed met rozenblaadjes. Romantiek is dat je ondanks dat je geen make-up draagt, een loopneus hebt en eruit ziet alsof je door een mangel bent gehaald, toch nog gewoon jezelf kunt zijn en daarvoor ook gewaardeerd wordt. Dat je ook bij elkaar blijft als het gras aan de andere kant groener lijkt. Samen oud worden is niet ouderwets, dát is nu pas echt romantisch.

Vroeger, ja, toen wisten de mannen tenminste hoe het hoorde. Wie heeft er niet weggedroomd bij hoofse ridders die vrouwen op een voetstuk plaatsten en bij mannen die de deur openhielden. Dat geldt nu als ouderwets: de vrouw die verwacht dat de deur voor haar opengehouden wordt, moet dan ook uitkijken dat ze die niet op haar neus krijgt. Prachtige liefdesbrieven in poëtische volzinnen zijn vervangen door beeldschermpost, verminkt om het toch vooral maar zo kort mogelijk te houden. Vaak afgesloten door drie onpersoonlijke kruisjes.

En nee, natuurlijk was vroeger niet alles beter. Die tussentijdse elektronische berichtjes zijn toch stiekem ook wel leuk. En op afstand een blauwtje lopen zal voor velen ook positief zijn. Maar toch lijkt het wel alsof het vroeger allemaal persoonlijker was, toen mensen elkaar alleen in vier dimensies kenden. Maar wat heeft het voor zin te zeggen dat vroeger alles beter was? We leven nu!

Dus wat doe ik hier? Op zoek naar echte liefde? Die man die daar zo uit de lift stapt, ziet namelijk vast dat ik een geweldige persoonlijkheid heb (geloof je het zelf) en daar valt hij natuurlijk voor, niet voor mijn uiterlijk (uhuh). Echte liefde begint bij jezelf. Ik druk weg en voor de presentator het doorheeft, ben ik al in de coulissen verdwenen. Het is tijd om weer echt persoonlijk te worden.

3e PRIJS: HERBERTS CRISIS – BAS PAAUWE (18 JR)

Remmen, koppeling intrappen, terug naar zijn één. Onder de zuiderzon kronkelt een eindeloze blikken slang langzaam de brug af. Meter voor meter proberen bestuurders winst te boeken op het zinderende asfalt. Een zwarte BMW die lange tijd geprofiteerd heeft van de hogere snelheid op de andere strook, ziet zich nu genoodzaakt mijn Suzuki bijna van de weg te duwen. Mijn rijinstructeur, een gezette blanke middenstander met een hoofd voor de helft bezet met zwartgrijs, krullend haar, vervloekt de ‘rijke stinkerd’. Hij reikt over me heen en duwt met een rode kop agressief op de claxon. Ik rem een beetje bij terwijl verkeersinformatie me verteld dat de file zo zal oplossen.
Al zwetend, ondanks de airco, vraagt Herbert zich weer eens af waarom de politiek nog steeds niets aan het fileprobleem heeft gedaan. Waarvoor is dan al dat geld, dat hij zuur verdiend heeft met lesgeven, en waarvan hij bijna de helft afdroeg! Nee vroeger, vroeger was het beter. Had je de snelweg voor jezelf, was de benzine een gulden. De mensen waren altijd goed gehumeurd en gedroegen zich beschaafd. Zijn generatie was in hun tijd altijd vol ontzag voor de medemens en politie geweest. Ze hadden hard gewerkt en de samenleving had het aan hen te danken dat er nu zo’n welvaart was! De jeugd van tegenwoordig was nergens goed voor. Ze zuipen zich lam in het weekend en hebben de rest van de week nodig om te herstellen. Ze gaan met iedereen naar bed, gebruiken vaak drugs, spuiten graffiti, hebben allerlei duivelse digitale frutsels waaronder telefoons en muziekapparaten, werken niet hard enzovoort.

jeugd.jpg

En nog veel vroeger was het nóg beter volgens Herbert. Nu begon hij zijn relaas over de oude Grieken en Romeinen, hoe goed die hun zaakje wel niet op een rijtje hadden. Herbert liep nu bijna paars aan en schetste een samenleving van rechtvaardigheid, rechte wegen, schone straten en nog net geen gouden huizen. Herbert veegt zuchtend het zweet van zijn voorhoofd. Ik zet de airco wat harder in een poging de geur van Herberts geestdrift te niet te doen. Deodorant zal volgens hem vast ook zo’n slechte ontwikkeling van de moderne tijd zijn.
Terwijl de auto langzaam tot stilstand komt stel ik me even voor dat er iemand anders naast me zou zitten, een figuur in een gescheurde, groezelige toga, vers uit één van de vele steegjes van het oude Rome. Hij kijkt vol verwondering om zich heen. De snelheid van dertig kilometer per uur, die de file nu bereikt had, zou hem misschien zelfs angst aanjagen. Ik zou de oude Romein uitleg geven, hoe ze in deze tijd de democratie uitgewerkt hebben: nog altijd twijfelachtig, maar niet half zo corrupt als in het oude Rome. Hoe de pest en andere ziekten verdreven zijn door riolering en andere technieken. Hoe iedereen die niet voor zichzelf kan zorgen aanspraak kan maken op een uitkering en niet meer bedelend in de modder op straat hoeft te zitten. Dat er kunstharten zijn ontwikkeld en dat de mensen op duizenden kilometers afstand met elkaar kunnen communiceren met beeld en geluid. Kijkend naar de door de hitte vervormde stad, terwijl de airco koel in mijn gezicht blaast, krijg ik de neiging mijn onophoudelijk klagende rijinstructeur toe te schreeuwen:
Vroeger? Wat nou vroeger!
Maar hij heeft ergens wel gelijk. Diezelfde productietechnieken, communicatie, gezondheidszorg en vervoer die het leven verbeterd leken te hebben zorgden voor nieuwe problemen. Nu hoef je niet meer dood te gaan aan bepaalde ziektes, in plaats daarvan lijden miljoenen mensen aan depressiviteit. Stoornissen als boulimia en anorexia breken complete levens en gezinnen aan stukken. Wat is erger, te sterven bij de jacht op een mammoet, of te sterven van verveling achter een lopende band? Hoe levend ben je als je sociale wereld zich beperkt tot een digitaal vriendennetwerk dat je nooit ‘werkelijk’ ziet of spreekt? Wat heb je aan een kunsthart als je nooit geleerd is lief te hebben, omdat de enige voorbeelden die je daarvoor hebt gescheiden ouders en de macho- en sletjescultuur van MTV zijn? Zijn we inderdaad gelukkiger of is het onze vervorming van het verleden die ons doet geloven dat het toen slechter was? Terwijl Herbert zijn relaas beëindigt met een sneer naar de ambtenaren, versnel ik naar de honderd. Na een korte blik op Herbert met zijn rode hoofd, blauw omwalde kraaloogjes, omvangrijke buik en al even omvangrijke zweetplekken op zijn witte overhemd, denk ik dat een beetje jagen op mammoeten hem geen kwaad zou doen.
Herbert heeft het nog steeds ontzettend warm, mede door zijn felle betoog tegen regering, jeugd en ambtenaar. We moeten tanken. Eenmaal stilstaand stapt Herbert moeizaam uit de auto, wankelt een paar stappen en zakt als een pudding in elkaar. Ik kijk snel hoe hij er aan toe is. Terwijl een oplettende medewerker van het tankstation met een fles water aankomt en een jas onder zijn hoofd legt bel ik 112.
Tien minuten later is Herbert in het ziekenhuis en wordt geholpen door twee verpleegsters. Eén van hen, een meisje van rond de 18 met een open, vriendelijk gezicht schenkt een bakje koffie voor Herbert en mij in, maakt nog even een praatje met me en pakt haar werk weer op. Herbert staart nog altijd een beetje versuft voor zich uit. Een half uur later kunnen we weer weg. Herbert met het advies om gezonder te leven, en vooral zich minder druk te maken. We lopen uit de draaideur van het door de regering gefinancierde ziekenhuis. Als ik dit hardop denk mompelt Herbert snel wat over de vriendelijke verpleegsters, waarop ik het niet laten kan hem er op te wijzen dat zij deel van de ambtenarij zijn. Het blijft stil. Mijn vraag aan hem hoe hij in zijn geliefde oudheid geholpen zou zijn blijft ook onbeantwoord.
Was het vroeger beter dan nu? Uiteindelijk zal elke generatie over het algemeen wel neerkijken op de jeugd en klagen over de regering, de kwalen van die tijd en het weer. En geluk is misschien niet zo zeer afhankelijk van wanneer of waar je leeft, maar van hoe je leeft.

NIET BETER, NIET SLECHTER- JASPER BELJAARS (12 JR)
(eervolle vermelding)

Vroeger was alles beter. Een bekende uitdrukking. Een
mislukte uitdrukking. Wanneer zou deze uitdrukking bedacht
zijn? Vast in een opwelling van frustratie. De uitdrukking is
onzin. Ik fantaseer: als meisje had Margreet Jansen de
tweede wereldoorlog meegemaakt. In haar dagboek schreef
ze over de verschrikkelijke dag. ’Lief dagboek. Ik schrijf dit in
de schuilkelder onder het schuurtje. Boven me hoor ik
vliegtuigen vliegen. Ik ben zo bang dat ik denk dat ik nooit
meer boven durf te komen. Ik hoor boven me bommen
inslaan. Ik hoop dat de buren ook hebben kunnen schuilen. Ik
krijg altijd suikerklontjes van hen om op te zuigen. Ik heb nu
ook een suikerklontje in mijn mond. Ik hoop dat als mijn
suikerklontje op is het bombardement ook voorbij is.
En ik mis Boris, mijn hond, heel erg. We dachten vanmorgen
dat hij achter ons aan liep, maar hij was blijven staan. Een
granaatscherf raakte Boris.
Mijn suikerklontje is op. Het bombardement is nog bezig.’
’Vroeger was alles beter: zegt Margreet op dit moment. Ze zit
in een verzorgingshuis en ze mag geen suikerklontje in de
thee van haar verzorgers. ’Denk om je suikerspiegel,’ zeggen
ze. Maar Margreet zegt: ’In de oorlog kreeg ik wel
suikerklontjes. Vroeger was alles beter.’
En Boris dan? En die angstige uren dan? Vroeger was niet
alles beter. Vroeger was alles anders!

1hond.jpg

DE KRIJGER DE TIJD EN DE VRAGEN – AMBER ALBLAS (19 JR)
(eervolle vermelding)

een jochie, niet uitzónderlijk jong, maar ook nog lang niet, oud genoeg om zo oud te zijn als hij zou willen. niet uitzonderlijk jong maar wel, uit-zon-der-lijk mooi. dat mooie dat bíjna maar net niet, vrouwelijk is. met ogen die nooit rustig zijn. met een heel normale naam waar ik hem, niet en nooit, bij noem. ik noem hem de Krijger.
Krijger, want hij streed, hij streed dáár waar niemand, behalve God, het ziet. zijn Strijd, in alles volhardt ze, alles verdraagt ze, nimmer slaapt ze.
en wat, helpt schoonheid je dan?
je kunt toch niet, iemand mooi noemen, die je nog nooit gezien hebt, niet écht, gezien hebt?
wanneer ik straks zeg niemand, dan geldt dat, voor iedereen.
de Krijger streed, maar dat en hij, werd door niemand, ooit gezien.
en wat, helpt schoonheid je dan?
zijn strijd was tegen de wereld en tegen de tijd. op zijn tijd had hij vele dingen tegen, de wereld, de wereld was niet eens van hem. hij was het, he-le-maal, niet eens met de wereld waar hij een deel van was, en omdát hij er een deel van was, misschien daarom, was hij het ergens niet eens, eens, met zichzelf. misschien was dat de leeftijd, misschien was dat de tijd,
of de wereld.
treinen die razen, briesjes die blazen, zachter, bijna ongemerkt. mensen waar je ook kijkt. mensen die niet samen, zijn gekomen, die niet samen zullen weggaan, een tijdelijke ophoping. de onverschilligheid van de treinen, de koelbloedigheid van het station. de grijzige grauwheid van de lucht, de lucht waardoor woorden geleid worden, woorden gesproken door iemand hier, tot iemand daar, misschien op een ander station. die beiden, zonder zich daarvan bewust te zijn, het hier verliezen, het opofferen aan het daar. was dat vroeger anders, deed men toen geen loze beloftes, maakte men geen onnozele afspraken, is er een nieuwe eenzaamheid gekomen, met de komst van de mobiele telefoon?
tussen de treinen en tussen de briesjes, tussen de mensen, staan zij. te midden van dat alles. twee mensen zijn het, die niet samen, zijn gekomen, die niet samen zullen weggaan, maar niet onverschillig, het laat hen niet koud. hetzelfde warmige bloed stroomt door hun lijven, een warmte die doet huiveren. warm bloed, koude botten, en op de huid die dat bedekt,
staat kippenvel.
dit meisje, deze jongen, een tweeling, buiten het leeftijdsverschil om.
tweelingachtig, behalve dat hij jonger, behalve dat zij ouder is. ze staan daar, ze praten, fluisteren, voelen en worden, voorlopig, niet gebeld. ze wil hem zeggen, Ik Begrijp Je. vanwege het wonder achter de woorden;
Ik Begrijp Je
ik begrijp je kan zoveel betekenen, zelfs desinteresse, van degene die niet langer luisteren wil,
maar ik begrijp je in zijn wáre betekenis, is een groots en onmetelijk wonder,
groots en onmetelijk, zoals dat geldt, voor wonderen. maar ze durfde het niet te zeggen want, hoe kon ze weten of het echt zo was, of het zo was, in zijn wáre betekenis?
uit de mond van de Krijger kwamen toen woorden, die groot zijn, maar niet groot genoeg om de dingen die ze betreffen, te beschrijven, hij zei:
"Als je naar rechts kijkt, zie je de toekomst, de grond beweegt daar."
en het meisje voelde zich alsof ze het alles zou verliezen, alsof zich tranen bevonden in haar buik en keel, wat erg vies aanvoelde. maar ze deed erg haar best om dapper te zijn, ze slikte en zei:
"Als het is wat je wilt, dan moet je daarheen gaan."
en liet hem, met het spreken van die woorden, los.

poort.jpg

terwijl de jongen wegliep waande hij zich in een andere wereld, in een ander gebouw, op een andere straat, waande hij zich, was hij.
maar toen hij dáár kwam, waar de grond beweegt, bleek dat hij zich had vergist. dit was niet de toekomst, dit was niet het nu, het vroeger, het ooit, dit was waar alle tijden samenkomen, verenigd in één. een Poort die Poort en Poortwachter is, Schepper en geschapene, de Tijd en de Heerser over de tijd. Poort en Poortwachter. bij de aanblik daarvan bééfde de jongen over zijn hele lichaam, dwars door zijn warme bloed en koude botten heen. de Krijger wilde hem graag aanraken, de Poort en Poortwachter van de tijd, maar hij wist dat dan, dit beeld in oneindige stromen zou vervloeien, dus hield hij zich stil.
de Poort en Poortwachter vroeg hem:
“Mensenkind, klein mensenkind, welke grote vraag kwelt dan, je kleine lichaam?”
de Krijger waagde het te spreken en te vragen:
“Meneer men zegt, dat vroeger alles beter was, is dat zo en, kunt u mij dan dáárheen brengen, alstublieft?”
voor een even dat de tijd ontsteeg schoot er van alles heel snel over het gezicht van de Poortwachter heen, vanwege alles dat gebeurd is, ooit, nu, straks, wie van wie hield en hoeveel, wie met wie vocht en hoelang, trok over hem heen, verscheen, verdween, verscheen, toen schudde hij het van zich af, kwam tot de orde, sprak:
“De Tijden zijn veranderd maar, de Vragen, zijn dezelfde gebleven, welk Vroeger is het waarover je spreekt kleine man, welk Vroeger bedoel je?”
“Het vroeger Meneer, waarover men spreekt, het Vroeger van de volle kerken, de saamhorigheid, de burenhulp, dát vroeger Meneer. Maar als het u pijn doet, denk er dan maar liever niet aan terug Meneer.”
en hij sloeg, beschaamd, zijn ogen neer. draaide zich, op zijn hielen, om, en rende, rende en keek niet achterom. hij heeft de pijn van de eeuwige vragen gezien, de pijn van de eenzaamheid. de pijn die helemaal geen schepping behoeft, die er ís, die eerder de afwezigheid is van iets anders. die meer dan de afwezigheid van het Ander, de afwezigheid van het Zelf is.
de Krijger heeft een ding gedacht, dat vooralsnog, niemand heeft gezien of heeft begrepen, en waarom niet?
het is niet de Tijd die de pijn veroorzaakt maar het Tijdloze.
en wat, helpt schoonheid je dan?

=====================================================
mar.jpg

Categorie 22 jaar en ouder

1E PRIJS: ONDERWEG NAAR MORGEN - EL HOUSSAINE OUZERNE (40 JR)

Er gebeurt veel in Marrakech. Daar ben ik geboren, daar ben ik opgegroeid. Mooie, boeiende en te gekke Marrakech...
Ik was op mijn 16 de levens jaar in de bloei van mijn jeugd. Een sterke jongen, slim ondeugend met een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Ik moest hard werken voer mijn studie.
De plaats was een van de mooiste plekken in Marrakech. Het was een modelboerdrij met 2 zwembaden en een kasteel.
Ik kende het kasteel alleen van buiten, ik mocht nooit naar binnen. Maar in de zwembaden buiten mocht ik wel af en toe zwemmen.
De relatie tussen mij en de plek van ontmoeting was een productieve relatie. Op die plaats moest ik hard werken om een paar centjes te sparen. Met het spaargeld kon mijn boeken kopen.
Het meisje was mooi, zoals Marrakech zo mooi. Ik zou haast zeggen... ze was mooier gekker, vol met acties. Net als Marrakech elke dag zwanger van iets nieuws, boeiend en gek.
Omdat iedereen van Marrakech houdt en iets van haar wilt hebben, dacht ik dat ik wel de laatste zou zijn die van dit meisje zou mogen houden. Dat het onmogelijk zou zijn dat ik een van haar geliefden zou zijn. Zij was misschien de mooiste vrouw die ik ooit ontmoet heb in mijn leven. Op dat moment was zij alles voor mij.
Ik ben er nog vol van, ondanks alles wat er tussen ons gebeurd was, blijf ik me verbazen dat ik een van haar geliefden geweest ben. Ze was te groots en te knap voor mij.
In verband met onze leeftijd, tussen jeugd en volwassen, het lijkt me nu dat een stuk kinderachtiger dan haar was. We hebben natuurlijk veel gespeld, maar ook samen veel gepraat. Haar bedoeling was diep en serieus. Jammer dat ik dat pas veel later begreep.

Tijdens een spel vroeg ze mij of we verstoppertje konden gaan spelen in het water. Het was als of een hemel deur voor mij open ging. Ik had nooit een naakte of half naakte vrouw gezien. Het was erg, misschien te groot voor iemand als ik. Ik schaamde me dood. En om de situatie te verergeren, toen ze mijn schaamte ontdekte, verstopte ze haar kam in haar onderbroek en ze vroeg aan mij:”Als je die kam kunt vinden, kun je alles van mij krijgen”
Het was voor mij een droom, een droom die mij lang beheerst heeft. Ik werd passief, ik Bleef in mijn droom.
Het meisje was de werkelijkheid, ze was de werkelijkheid die ik niet zag want ik was nog steeds aan het dromen!. Dromen van een mooi meisje, een gevaarlijke indruk, van een naakte vrouw en van Marrakech, teveel voor mij om te kunnen bevatten. En hoe dichterbij ze kwam, hoe dieper mijn dromen werden. Ik heb de kam gevonden maar mezelf niet, het was duidelijk, nog steeds leef ik in de droom.
Van alles heeft ze geprobeerd”misschien is het beter dat wij naar een rustige plek zouden gaan, daar waar we alleen zouden zijn”.
Ze was al gegaan…seconden, minuten, misschien wel urenlang was ze aan het wachten op iemand die komt of juist nooit komt omdat hij nog steeds aan het dromen was.
Op het eind van de dag heb ik haar ontmoet, ze had een bliksem in haar ogen toen haar vroeg”What ’s wrong?”
“Hoe kan ik met iemand zoals jij iets afspreken? Ik was daar en wachtte op jou, terwijl jij tekenfilms op tv. zat te kijken! Hoe kan ik je meer bewijzen dat je nog een kind bent?”
“Het is voorbij!!”

T’ ja, het is voorbij, natuurlijk is het voorbij, maar mijn droom over Marrakech blijft voor altijd. Misschien is dromen het enige wat ik kan ofwel het is een vervanging van al mijn verliezen.

2E PRUS: HET LANDJE - DINEKE VAN GEMERT (53 JR)

Het braakliggende terrein, dat we het landje noemden, lag op zo’n 100 meter van mijn huis. Ooit was het een volkstuinencomplex geweest dat om een of andere reden moest verdwijnen. Ik kende het niet anders als een met onkruid bedekt terrein, waarop je ineens bloemen zoals irissen en narcissen kon tegenkomen en eetbare wortels in de meest vreemde vormen en kleuren, heel anders dan de oranje wortels die mijn moeder bij de groenteboer kocht. In de zomer vond je er overal aardbeien.
Freddie, mijn buurjongen, lag in het hoge gras op zijn rug naar de wolken te staren. Ik lag naast hem. Vanuit je rechterooghoek kon je nog net een punt van het rode pannendak van Freddies huis zien. De dakpannen glinsterden in het zonlicht. Onze huizen hadden grote tuinen die van elkaar gescheiden werden door hoge groen geverfde houten schuttingen.
Als je in een van die tuinen zat, was het net alsof je niet echt buiten was, maar opgesloten zat in een afgebakende ruimte. Op het landje waren we vrij. We konden doen wat we wilden. Kikkervisjes vangen in de sloot die het landje scheidde van het terrein van de psychiatrische inrichting, met de fiets over het terrein crossen, bloemen en vruchten plukken.
Naast ons stond een emmertje met aardbeien. Het was de helft van wat we geplukt hadden. De andere helft was in onze monden verdwenen.
We hadden sinds een paar dagen zomervakantie en zouden pas weer over twee maanden naar school gaan. Niet meer als brugpiepers, maar als volwaardige tweede klas VWO’ers.
‘Het zijn geen echte vruchten volgens mijn biologieleraar,’ zei ik tegen Freddie.
‘Wat zijn het dan?,’ vroeg Freddie.
‘Schijnvruchten,’ antwoordde ik hem.
‘Is dat geen verzinsel van die man? Ik heb daar nog nooit van gehoord.’
‘De pitjes die aan de buitenkant zitten, zijn de werkelijke vrucht van de aardbei. Het rode gedeelte is niet de vrucht.’
Ik had niet de indruk dat Freddie me geloofde.
‘Volgens dezelfde biologieleraar is een konijn ook geen knaagdier.’
‘Het is goed met je.’
‘Nee echt, een konijn is een zoogdier en geen knaagdier. Ik kan me alleen niet meer herinneren waarom het bij de zoogdieren wordt ingedeeld.’
‘Die wolk is ook geen wolk maar een schip, een cruiseschip, zie je dat?,’ vroeg Freddie.
‘Ja,’ antwoordde ik. ‘Hij heeft wel iets weg van een boot.’
De wolk veranderde van vorm. Het leek alsof er veel wind was in de hogere luchtlaag, waardoor de wolken uiteen waaiden. Op de grond was het windstil.
Freddie en ik konden uren naar dit schouwspel kijken, genieten van de zon, een beetje dollen, aardbeien eten zonder ons een moment te vervelen. De zomers waren lang en in mijn herinnering scheen altijd de zon.


braak.jpg
Het plensde en het bouwterrein stond vol plassen. Als ik me omdraaide en keek naar waar het huis stond, waar Freddie vroeger met zijn ouders woonde, dan moest dit wel dezelfde plek zijn als de plek die we vroeger het landje noemden. Alleen zag je nu overal heipalen liggen. Een aantal heipalen was al in de grond gestampt.
We hadden het huis op tekening gekocht en geen idee hoe het er in werkelijkheid uit zou gaan zien. Wat ik voor een tuin had aangezien, bleek een eigen parkeerterrein te moeten worden. Tot mijn grote verbazing was er in het koopcontract opgenomen dat van dit parkeerterrein geen tuin mocht worden gemaakt. En dat terwijl het elf meter lang en bijna zes meter breed was. De haagbeuken, die de percelen van elkaar zouden gaan scheiden, mochten op straffe van een dwangsom van € 1.000,= per dag niet worden weggehaald.
‘We hadden van te voren toch meer informatie moeten inwinnen,’ verzuchtte mijn vriendin die zich verheugd had op een nieuwbouwhuis met tuin.
‘Als we dat gedaan hadden, waren we buiten de boot gevallen. Alleen omdat we een van de eersten waren die reageerden, zijn we hiervoor in aanmerking gekomen. Dat inmiddels in verband met de kredietcrisis bijna geen huis meer wordt verkocht, konden we toen niet voorzien.’
Mijn vriendin haalde haar schouders op.
Als ik de buurman van nummer 6 goed had begrepen, had de architect van het project iets tegen burgermanstuintjes en vooral tegen de foeilelijke schuttingen, waarmee deze gewoonlijk werden afgebakend. Door in het koopcontract allerlei zogenaamde derdenbedingen op te nemen met daaraan gekoppeld enorme dwangsommen, kon hij voorkomen dat zijn ontwerp door kleine burgerzielen naar de filistijnen werd geholpen.
De bouw duurde tien maanden. Er was veel misgegaan tijdens de bouw, maar dat bleek volgens de aannemer normaal te zijn, net als de 104 punten die vermeld stonden op de lijst van gebreken, die werd opgemaakt bij de oplevering van het huis.

We wonen er nu dertien maanden en het is lente. Ik begrijp inmiddels iets meer van de uitdrukking dat je in een nieuw huis het eerste jaar je vijand moeten laten wonen, het tweede jaar je vriend en dat je er zelf pas in het derde jaar moet gaan wonen. Van de 104 punten op de opleveringslijst moeten er nu nog 54 worden verholpen.
Vanaf het balkon kijk ik uit op de parkeerplaats waar met gemak twee auto’s achter elkaar geparkeerd kunnen worden.
Er zit 30 jaar tussen nu en het moment dat Freddie en ik vanaf dezelfde plek naar de wolken staarden. Alleen is alles veranderd. Freddie is vijf jaar geleden overleden, zomaar in zijn slaap, zomaar ineens weg. Het landje staat vol met rijen nieuwbouwhuizen die geen tuin hebben. Sierstenen en betontegels bedekken de grond. Een van de buren heeft zelfs asfalt gestort op zijn parkeerplaats. Blijkbaar had de architect daar geen bezwaar tegen, verburgerlijkte dat niet zijn ontwerp.
Tussen de sierstenen op de parkeerplaats zie ik iets groens. Zou er nu al onkruid tussen de stenen opkomen? Ik loop naar beneden en zie dat er aan de plantjes witte bloemetjes zitten. Ik kan me niet herinneren dat er in het koopcontract iets is opgenomen over het wieden van onkruid op de parkeerplaats, laat staan over het wieden van schijnvruchtplanten.

3E PRIJS: HOLLANDSCHEVELD – NICOLETTE KNOBBEN (43 JR)

Het is zaterdag. Het is droog buiten, maar een donkere laaghangende novemberlucht maakt alles grijs. Ze staat met zeep de stoep te schrobben, maar moet even op het muurtje gaan zitten omdat ze zich duizelig voelt. Ze is misselijk en bezorgd, zouden dit de voortekenen van een zwangerschap kunnen zijn? Ze heeft wel eens gehoord dat dit erbij hoort. Maar het is amper twee maanden geleden dat ze getrouwd is met Hendrik en daarna zijn ze maar vier keer samen geweest, want Hendrik komt slechts een keer in de twee weken voor een paar dagen thuis. Maar vanmiddag zal ze hem zien. Vanaf een uur of vier zal ze zorgen dat ze wat in de moestuin te doen heeft, zodat ze hem van ver kan zien aankomen. Een donker bewegend stipje langs het kanaal, dat dichterbij gekomen Hendriks sterke contouren zal vertonen, een man in uniform, zwaartrappend op zijn legerfiets.

Ze maakt zich ongerust, want ze heeft van Hendriks moeder gehoord dat je nu extra gevaar loopt als je zwanger bent. Haar schoonmoeder weet dat, omdat ze een zwangere vrouw uit het dorp had gesproken, die van dokter Broekhoff extra rust voorgeschreven had gekregen, om haar weerstand te verbeteren. En ondanks dat de meeste verhalen van Margje haar ene oor in komen en vlotjes het andere oor uitgaan, gelooft ze dít wel. Ook in het dorp gonst het van de geruchten. Verhalen over mannen die eerst roodbruine vlekken in hun gezicht kregen, daarna paarsblauw werden en vervolgens kermend van pijn en happend naar lucht na twee uur al het leven lieten. Iedereen had het over de Spaanse griep.
Zelfs sterke jongemannen overkwam het. Bij Roelofs op de hoek waren beide jongens, nauwelijks ouder dan zijzelf, vorige week overleden. Binnen een dag was het met hen gebeurd. En de zonen van Roelofs waren niet de enige. Toen ze gisteren bij de bakker kwam, sprak ze Jantje Booij. Haar man had de afgelopen dagen zeven volwassen mannen naar het graf gedragen. Hij kwam elke avond stomdronken thuis, want hij moest tussen de begrafenissen door flinke slokken desinfecterende alcohol drinken, om zelf niet besmet te worden. Ook één kind had hij al moeten begraven en dat was er waarschijnlijk de oorzaak van dat ze zoveel kinderen in het dorp had gezien, vrolijk spelend, blij met de onverwachte vrije dagen. De scholen hadden hun deuren gesloten.

De dag duurt lang. Haar lichaam voelt zwaar en haar buik opgeblazen. Om de zinnen te verzetten werkt ze alle verstelwerk dat er nog ligt, in een keer weg. Dan is het half vier en nog steeds te vroeg om de tuin in te gaan. Haar schoonmoeder is achter bezig met ramen lappen en uit ervaring weet ze dat Margje hierna even naar de buren zal gaan. Ze kan dus wel even gaan zitten. Even haar hoofd tegen dat kussen…

Ze schrikt wakker van de achterdeur die hard dichtklapt. Margje is terug, maar wat is het donker. Het moet avond zijn. Waar is Hendrik? Is hij thuisgekomen zonder dat ze het gemerkt heeft? Ze hoort Margje scharrelen in de keuken, maar verder is het doodstil in huis.
‘Ma! Waar is Hendrik? Ik was in slaap gevallen.’
‘Och, ik dacht dat Hendrik bij jou binnen was.’
De vrouwen kijken elkaar aan en doen beiden moeite hun ongerustheid te verbergen.
‘Hij zal zo wel komen. Misschien dat ie in het dorp nog even het café in is gegaan.’ De zelfingenomen stem van Margje irriteert haar mateloos. Margje verstaat de kunst om de dingen altijd zo te zeggen dat het lijkt of zij haar zoon beter kent dan zij. Ze weet zeker dat haar man niet zomaar bij het café zou stoppen, maar ze doet alsof ze zich neerlegt bij de uitspraak van Margje.
Beiden zwijgen en eten hun roggebrood, elk verzonken in hun eigen gedachten. Het licht boven de tafel is erg fel, maar kan niet voorkomen dat de hoeken van de kamer donker blijven. Ze gaat weer in de schommelstoel zitten waar ze ook in geslapen heeft, kijkt naar buiten en wacht. Ze heeft er nu spijt van dat ze alle verstelwerk klaar heeft, want nu heeft ze niets om handen.
Plotseling ziet ze in de verte een lichtje aankomen. Het is duidelijk geen fietslamp, het schommelt teveel en komt maar langzaam dichterbij. Als het zwarte pak van de dominee zichtbaar wordt, gaat er een schok door haar heen.
‘Ma! Het is dominee Hooijer. O God, er is iets met Hendrik!’ Ze laat zich weer achterover vallen in haar stoel en van heel ver hoort ze de stemmen van de dominee en haar schoonmoeder.
Ze vangt wat woorden op; militair hospitaal, Assen, benauwd, blauw, longontsteking. Het zijn de woorden die ze de afgelopen dagen ook in het dorp heeft gehoord. Het zijn woorden die inmiddels bij Hollandscheveld horen. Die haar angstig hadden gemaakt voor haarzelf, voor haar zwangerschap. Maar ze horen niet bij Hendrik. Hendrik was in Assen toch veilig?

kerkhof.jpg

10 augustus 1893 tot 17 november 1918 staat er op zijn steen. Vijfentwintig jaar. Met minstens honderd andere graven vormt Hendriks graf de Spaanse griep-hoek, zoals dit stuk van de begraafplaats door de dorpelingen genoemd wordt. Hier en daar staat onkruid en sommige grafstenen vertonen nu al barsten. De mensen uit Hollandscheveld hebben het te druk om de vele graven bij te houden. Met de tweejarige Hendrika op haar arm, beseft ze dat het pas de eerste keer na de begrafenis is dat ze er komt. Ze heeft zich de afgelopen jaren erg alleen gevoeld. Ook Margje was vlak na Hendrik aan de griep overleden en daarmee had zij wél een huis geërfd, maar verder had ze niets. Heel wat avonden is ze vroeg naar bed gegaan om de knoop in haar maag van de honger niet te hoeven voelen.
Maar dat is nu geschiedenis, met dit bezoek wil ze een einde maken aan deze periode. Ze wil werk gaan zoeken en geld verdienen om helemaal zelf in hun levensonderhoud te voorzien. Ze wil geen afgedragen kleertjes meer, maar zelf kleertjes kopen voor Hendrika. Of voor zichzelf. De buurvrouw heeft aangeboden om op te passen op Hendrika. Ze wil een man gaan zoeken en opnieuw trouwen. Langzaam, met haar hoofd vol plannen, loopt ze de begraafplaats af.

DE BEWAARSCHOOL VAN VROEGER – MW. L HUSEN (102 JR)
(eervolle vermelding)

Wij gingen er heen, mijn broertje en ik. Naar de toen zo genoemde bewaarschool. Wij werden er natuurlijk heengebracht. Twee grotere buurmeisjes waren bereid ons naar de bewaarschool te brengen.
Een uitkomst was het dat wij een sportkar hadden. Rug aan rug zaten mijn broertje en ik in de sportkar.

Voor de bewaarschool stapten we uit. De hoofdjuffrouw stond ons al op te wachten.
Ik herinner me haar als een lieve juffrouw.
Ze had opgestoken haar en een schort voor. De bewaarschool bestond uit een grote zaal. Ook was er nog een kleinere zaal met tafeltjes en stoeltjes. Daar gingen we wel eens matjes vlechten van papier.

De hoofdjuffrouw wachtte tot alle kleuters binnen waren. Langs de twee binnenmuren stonden twee banken, een voor de meisjes en een voor de jongens. De kinderen gingen op hun plaatsen zitten. In die grote zaal was ook een schommel. We moesten in de rij komen staan. Dan mochten we om de beurt schommelen. Dat schommelen was voor mij een verschrikking; vooral als de schommel van hoog naar laag ging. Dan werd ik altijd een beetje misselijk. Gelukkig kregen we elk maar een beurt. Dan zei de hoofdjuffrouw; "Ga nu maar op de banken zitten". Nu, dat was tegen geen dove oren gezegd. Op een holletje liepen de jongens en meisjes naar de banken.

Dan kwam de hulpjuf eraan, met stokken in haar armen. Bovenaan elke stok zat stevig vastgemaakt een paardenkop. Iedere jongen kreeg zo’n stokpaard maar ze mochten er nog niet direct iets mee doen. Toen haalde de hulpjuf een grote mand uit de kast. In die mand zaten lange lijspoppen. Alle meisjes kregen zo’n lijspop, ze mochten er mee doen wat ze wilden. Uitkleden, aankleden, ja wie weet wat allemaal.
Toen de meisjes allemaal een pop hadden mochten de jongens hun stokpaarden beklimmen. Nu dat werd een gedraaf en gehinnik. Hollen, hollen maar met de stok tussen de benen.

Op een vaste tijd gingen we keurig in de rij naar de wc. Dan klapte de hoofdjuf in haar handen. Ze zei er dit rijmpje bij; "Een, twee naar de wc. Een, twee naar de wc".
De meeste meisjes konden zelf hun broekjes niet vastmaken. Aan de voor en achterklep zaten bandjes, twee aan elke klep. Ook strikken konden de meeste kinderen niet. Die werden geholpen door de hulpjuf.
Er waren ook wel eens kinderen die een nat broekje hadden, maar gelukkig had de hoofdjuffrouw voor schone broekjes gezorgd. Er lag een heel stapeltje in de kast. Het naar de wc gaan nam veel tijd in beslag, maar het moest gebeuren.

De kinderen leerden ook leuke en mooie versjes zingen en af en toe vertelde de hoofdjuffrouw wel eens een verhaaltje.

6klas.jpg

In de linkerzijwand van de zaal waren de tuindeuren. Als je die opendeed kwam je in een grote tuin. Een tuin kon je het eigenlijk niet noemen, het was meer een groot grasveld.
In het midden van dat grasveld stond een boom met een groot bladerdak. Rondom die boom, onder het bladerdak stond een bank. Als het erg warm was, was het heerlijk om onder het bladerdak met elkaar op de ronde bank te zitten.

Zo kwam er dan een einde aan de morgen. De meisjes kwamen er al aan met de sportkar. We stapten in de kar en reden naar huis.

Maar de tijden veranderden. Mijn broertje was ouder dan ik dus toen hij er de leeftijd voor had ging hij naar de grote school.

De sportkar was voor mij niet meer nodig, ik kon de weg naar de bewaarschool alleen wel vinden. Ik miste mijn broertje erg.

Als ik van de bewaarschool naar huis ging kwam ik langs een kort straatje waar aan de ene kant geen huizen stonden aan de andere kant wel.
Waar geen huizen stonden was een schuin muurtje tegen de grote muur gebouwd. Op een keer liep ik er weer langs en kreeg opeens zin in een leuk spelletje: Muurtje op, muurtje af. Ik wist van geen ophouden. Maar het was ondertussen half twee. Mijn moeder wist zich geen raad. Waar moest ze mij zoeken. Vol angst keek ze in de sloten. Ten einde raad is ze op weg naar de bewaarschool gegaan. Halverwege was een brug, daar zag moeder mij aankomen. Ik danste, zong een liedje en zwaaide met mijn armen. Ik zong: "Zo vliegen de vogeltjes". O, wat was mijn moeder blij. Huppelend aan haar hand liep ik samen met haar naar huis.

Het duurde niet lang meer toen ging ook ik naar de grote school, toen was ik dus een groot meisje geworden.

De kleuters van nu
Mijn bewaarschool heb ik beleefd als een veilige wereld. Later kwamen de kleuterscholen die werden ook ervaren als een veilige wereld.
Tegenwoordig maken ze deel uit van de basisschool als groep 1 en 2. Vanaf 4 jaar kunnen ze er al terecht.

Kleine kinderen moeten al heel jong voldoen aan de eisen van de omgeving. Kunnen ze nog echt kind zijn bij deze vorm van onderwijs?
Ik ben bang dat ze overbelast worden met de nieuwe aanpak. Mijn conclusie is dat ze niet echt kind meer kunnen zijn.

TUUT TUUT! - BIANCA NEDERLOF (28 JR)
(eervolle vermelding)

Op een maandagochtend zaten de kinderen nog niet eens allemaal op hun plek, toen juffrouw Nel, die als invalkracht die dag voor groep 7 moest staan, al werd uitgelachen door Kim en Sanne.
De lerares was wel wat gewend, ze had tenslotte heel haar leven voor de klas gestaan, en dat waren ondertussen nogal wat jaren bij elkaar. Ze had nooit kinderen gekregen, en genoot er bijzonder van om nog invalwerk te doen op deze basisschool en zich te verwonderen over de merkwaardige kledingkeuzes, het vreemde taalgebruik en de ongedwongen sfeer in de klas.
Die ochtend hoorde ze de in het roze met wit geklede Kim aan haar paarse vriendin, compleet met paarse schoenen, oorbellen, ketting en dito schooltas, vragen of ze die middag na schooltijd bij haar thuis wilde komen tennissen. Hierop vroeg de lerares verbaasd: “Maar Kim, hebben jullie dan thuis een tennisbaan?”
“Nee juf,” antwoordde Kim meewarig, want juf Nel was dan wel lief, maar af en toe ook een beetje vreemd. “Nee, ik heb afgelopen zaterdag een Wii voor mijn verjaardag gekregen.”
“Wie?” vroeg de juf in verwarring.
“Ja, een Wii, en daar kun je op tennissen. Net echt, er zitten ook tennisrackets bij.”
“Oh. Ja ja. Dan hoop ik dat het buiten droog is vanmiddag.” Hierop volgde natuurlijk weer een hoop gegiechel van de twee jongedames.
“Nee juf,” zei het meisje in paars; “dat doe je niet buiten, maar binnen, met de Wii kun je op de tv tennissen. Ik ga er ook een vragen voor mijn verjaardag, want ik had met sinterklaas wel een Nintendo DS gekregen en da’s ook wel leuk, maar een Wii is supervet.”
“Maar Sanne, als je tennisballen tegen de televisie slaat, dan gaat het scherm toch kapot?” vroeg juffrouw Nel. Tijdens het nieuwe lachsalvo van de meiden kwam bij haar het besef dat niet alleen het verschil in leeftijd met haar leerlingen steeds verder werd uitgerekt, maar dat er ook steeds harder aan de andere kant van het elastiek van haar leven werd getrokken. De wereld waarin zij geleefd had raakte zo steeds verder verwijderd van de leefwereld van deze klas.
De vriendinnen probeerden op adem te komen om uit te leggen hoe het dan wél zat, maar werden daarbij in de weg gezeten door steeds nieuwe onvermijdelijke lachbuien. Juf Nel mijmerde zo eens verder en opeens sprong er een stukje van het elastiekje terug en bij de lieve lerares schoot er een herinnering aan haar eerste jaar dat ze lesgaf terug in haar gedachten.

wii.jpg

“Och,” zuchtte Keesje vrijdagmiddag vlak voordat de bel ging. “Och…”
“Zeg, Keesje,” zei juf Nel na een tijdje. “Keesje, wat zit je toch te zuchten?”
“Och,” zuchtte Keesje wederom. "Och, juf. Weet u, morgen is mijn verjaardag.”
“Moet je daar dan zo om zuchten? Vind je het dan niet leuk om jarig te zijn? Misschien krijg je wel een mooi cadeau!”
“Ach juf, ik had zo graag een trein gehad als verjaardagscadeau.”
“Een trein?” vroeg juf Nel verbaasd. “Maar Keesje, dat kan toch niet, zo een grote trein als cadeau?”
“Maar nee,” zuchtte Keesje; “nee juf, ik bedoel zo een houten treintje. In mooie kleuren, met geel en rood en dan het liefst nog met een stationnetje erbij. Zo een trein bedoel ik, juf. Och, zo’n treintje zal ik wel nooit krijgen.”
“Ach zo. Maar Keesje, je moet nog een nachtje slapen voor je jarig bent. Hoe kun je dan nu al weten dat je geen treintje krijgt?”
“Dat weet ik juf, dat weet ik gewoon. Och, kreeg ik maar zo een mooi treintje. Dan zou ik een prachtige baan leggen en de trein laten rijden, zachtjes en hard, van tjoeke tjoeke tuut tuut!”
“Tuut tuut!” giechelde juf Nel. “Waarom ben je er zo zeker van dat je geen treintje krijgt, Keesje?”
“Dat weet ik zo zeker, juf, omdat ik nooit een cadeautje krijg als ik jarig ben.”
“Geen verjaardagscadeautje?" Juf Nel leed hoorbaar mee.
“Nee juf, geen cadeautje voor mijn verjaardag.”
“Och Keesje, maar heb je dan in december wel een cadeautje van Sinterklaas gekregen?”
“Nee juf. Nee, ook niet van Sinterklaas. Ik had wel een cadeautje gevraagd, dus daarvoor een mooie tekening gemaakt en die samen met een wortel in mijn schoen gedaan. En een liedje gezongen, in mijn eentje en misschien niet helemaal zuiver, maar ik heb wel hárd gezongen, dat wel.”
“Wat wilde je graag hebben van Sinterklaas dan, Keesje?”
“Een treintje, ik had zo graag een treintje gehad van Sinterklaas.”
“En?”
“Nou ja, de volgende dag zat er wel wat in mijn schoen.”
“Een treintje?” vroeg juf Nel hoopvol.
“Nee juf. Geen treintje.”
“Geen treintje?”
“Nee, geen treintje. Wel een tekening en een wortel. In mijn schoen.”
“Och,” zuchtte de juf. “Och, Keesje toch.”
Meer wist juf Nel ook niet te zeggen.

Het werd weekend en weer maandag, want zo gaat dat, en maandagochtend kwam Keesje weer op school.
“En?” vroeg juf Nel. “En Keesje? Heb je een treintje gehad voor je verjaardag?”
“Nee juf,” antwoordde Keesje. “Geen treintje juf, maar ik wist het al. Ik wist al dat ik geen cadeautje zou krijgen, ook geen houten trein met geel en rood en ook niet met een stationnetje erbij. Maar juf, ik heb er wel aan gedacht. Dat ik dan zo een prachtige baan zou leggen en de trein zou laten rijden, zachtjes en hard, van tjoeke tjoeke tuut tuut!”
“Tuut tuut,” fluisterde juf Nel en zuchtte daarna: “Och...”



“Het is een computerspel hoor, niet met echte ballen!” gilde Sanne het uit, terwijl Kim roze met wit voorovergebogen op haar tafeltje nog lag bij te komen van het lachen.
Juffrouw Nel glimlachte slechts, en terwijl ze naar haar plek voor de klas liep zei ze heel zachtjes: “Tjoeke tjoeke… tuut tuut!”

NOODSLACHTING! – IES HAGESTEIN (76 JR)
(eervolle vermelding)

Komt me daar ome Aart heel vroeg op een doordeweekse dag naar huis gelopen, want ik hoorde hem op zijn klompen aankomen. Tante sliep nog in de bedstee en ik was al wakker. Ik hoorde hem in het klompenhok zijn klompen uitschoppen en hij kwam gelijk de opkamer binnen.

Hij deed de deurtjes van de bedstee open en maakte tante wakker.
Hij zei dat ze gelijk bij de boer moest komen.

En toen ging hij weer terug naar de stee van boer Bieren. Ik hoorde zijn klompen in de steeg klepperen.

Tante zei dat ome Aart een van de koeien dood in de stal had gevonden en dat er nu een noodslachting moest gebeuren. En tante moest helpen met de slacht.

De andere dag zei ome Aart dat de slager, die toch niks meer te doen had, ook had moeten komen en dat ze met z’n vieren de koe uit de stal hadden getrokken en naar de deel gesleept.
Ome Aart dus, tante Marie, de slager en de boer. Ome Aart zei dat bij iedereen het zweet op het voorhoofd stond, want het was alsof je een hele wagen met zand moest wegslepen, een wagen zonder wielen dan.

De slager heeft op de deel de koe geslacht en uitgebeend en tante moest helpen met pekelen van het vlees en het wegwerken van de darmen en de hoeven, want het mocht eigenlijk niet. Tante had ook nog bloedworst gemaakt en ome Aart had de mergpijpen gezaagd.
Een hele berg. Gewoon met de zaag uit de schuur.

Tante Marie en ome Aart brachten twee hele lange lappen vlees van de zijdebil mede en legden die bij ons achter de voordeur op de tegels van het afvoerputje en een hele bos mergpijpen, op de tegels ernaast, waar de pomp boven zat.

Het vlees van de ronde bil, van de koe z’n kont dus, had de boer zelf gehouden, maar wij en ook de slager kregen van de zijspieren van de koe. Daar zat meer vet aan en een dotje pezen en spieren. Ik vroeg ome Aart of die grote stukken vlees voor vanavond waren, maar het vlees moest eerst nog besterven.
Ome Aart sneed een flink stuk van die ene lap rundvlees en deed dat netjes in een oud kussensloop, dat gelijk roodachtig werd van het koeiebloed en ik moest dat naar de pastorie brengen.
En met de hartelijke groeten van de boer van ome Aart, en dat het moge smaken, dan wist dominee het wel.

De vliegen die bij ons in huis waren, hadden ook weer lekker eten, want ze konden niet van ons vlees afblijven. Nou wordt het te gek, zei tante Marie, temee vreten ze alles nog op en toen legde ze twee sleetse theedoeken over het vlees. Maar ik heb zelf gezien dat de vliegen er gewoon onderdoor kropen. En helemaal bij het kopvlees,
dat ome Aart in de hoek apart had gelegd. Daar legde tante geen theedoek over, want dat vlees ging toch in de pekel, zei ze.

Maar dat gaf niks, zei tante Marie, want daar ging ze zure zult van maken. Ze deed de pekel en azijn in een emmer en daar ging het hele kopvlees in met de hele ratteplan, die er nog aan hing op het fornuis om te koken. Er kwam een hele laag schuim op na een tijdje.
Toen het vlees gaar was, werd de emmer in de schuur gezet om af te koelen.

Toen deed tante het in de weckflessen, die ze eerst had uitgewassen en ze prakte ze helemaal vol. Ik heb nog gekeken door het glas, maar de zwarte vliegenpoepies zag ik niet meer Tante Marie zei dat ik een muggenzifter was. Jij moet maar ambtenaar worden van de personele belasting, zei ze. Ook van die krententellers. Ze kon wel merken dat uit de stad kwam. Mensen die benauwd leven, sterven ook benauwd, zei ze.

Twee dagen later na het avondeten zei ome Aart tegen mij dat ik zo langs mijn neus weg langs de pastorie moest lopen en mijn ogen goed de kost geven. En vooral héél goed kijken of alle blinden open waren, de sansevieria’s in de ramen stonden en of er geen witte lakens voor de ramen hingen. En ook of de blinden soms toe waren aan de achterkant van de pastorie, boven, bij de slaapkamers. Maar ze mochten mij in geen geval zien. Ook de kinderen niet.

Na een poosje kwam ik terug en zei dat bij de pastorie alle blinden open waren, ook aan de achterkant en dat ze allemaal op de grendels zaten. En dat ik de dominee in zijn eigen kamer achter zijn bureau had zien zitten en dat de vrouw van de dominee het grint in het tuinpad aan het harken was en dat de drie kinderen in de tuin aan het schommelen waren en zo.

Ome Aart ging gelijk toen ik van de pastorie terugkwam naar de boer lopen om te vertellen dat ook de boerin en hij het vlees konden gaan eten, want dat bij dominee niemand ziek was geworden en dat ze het daar allemaal goed maakten.

slachter.jpg

God zij geloofd en gedankt, zei tante, dan kunnen wij eindelijk het vlees ook eten. En ze ging gelijk de lap vlees onder de pomp vandaan halen en de vliegenpoepies er af spoelen onder de pomp. Toen ging ze er aan allebei de kanten zout op doen en dat een tijdje in laten trekken.

En toen ging het vlees in de vleespan en ging ze dehele avond staan bakken en braaien op het fornuis. Ik zag de gelige stukken vet tussen het vlees langzaam smelten. Het wordt gaar in zijn eigen vet, zei tante Marie. Het hele huis rook lekker naar vlees, ook al was het van de zijdebil.

De andere dag hebben we lekker vlees gegeten in de opkamer. Marie was een merakels beste koe, zei ome Aart, met een goeie melkgift. En het vlees is ook om aan te zuigen.

(de overige verhalen vindt u onder het kopje Schrijfwedstrijd)

Contactgegevens

Drechtsteden Schrijft

PJ PARTNERS, bureau Kunst & Cultuur
Postbus 11117
3004 EC Rotterdam
Thurledeweg 95
3004 EC Rotterdam

T 010 436 17 66
F 010 436 63 57
E info@drechtstedenschrijft.nl